verhalen

Drink en verdrink

“Dat was mijn mooiste herinnering” zei ik, met mijn glimlach op de voorgrond. “Maar dat is vreselijk?!” hoorde ik iedereen denken. Bewust negeerde ik deze gedachten die van uit de oogkassen van het publiek mijn ruggenwervel over schaatsten. Zelfverzekerd stapte ik het lokaal uit, terwijl mijn hersenen mijn benen de prikkel gaven om eerder te huppelen dan te stappen. “Beheers jezelf”, kaatsten mijn benen weer aan mijn ruggenmerg.
Het gevoel deed me denken aan mijn mooiste herinnering, die ik net verteld had aan de oren van een groot publiek. Overwinning, trots en intens geluk zijn de eerste woorden die in mij opkomen als ik denk aan de dag waarop ik besloot dat ik mijn vader nooit meer zou zien.
Exact twaalf jaar was ik toen. Ik zou mezelf kunnen omschrijven als de typische tiener die worstelde met maandproblemen en een pijnlijke beugel. Puberen deed ik niet, op mijn twaalfde was ik een zelfstandige vrouw die leerde te roeien met de riemen die ze had: geen.
Elke zaterdag werd ik gedwongen om te koken, terwijl mijn armen amper een pan konden dragen. Ik maakte het tweepersoonsbed op dat we deelden als ik bij hem sliep. Na enkele uren hoorde ik zijn voeten de trap op komen. “Moet ik blij zijn dat hij thuis is?” vroeg ik mijzelf, waarop ik nooit een antwoord kreeg. Zijn dronken adem plantte littekens op mijn zachte huid. Hij beweerde boodschappen gedaan te hebben terwijl hij zonder het huis kwam binnen gestrompeld. Het enige wat hij had meegebracht was een klein doosje snoepjes en zijn verschrikkelijk humeur. “Die snoepjes zorgen ervoor dat je goed slaapt”, blaasde hij mij toe met een alcoholdamp die een olifant dronken had gemaakt. Ons donsdeken vulden we met onze lichamen: mijn kleine en zijn zwaar getattoeeërde lompe benen tegen elkaar. Zonder ondergoed het eerste zonlicht zien lijkt mij romantischer met je vriend dan met je vader.
Exact twaalf jaar was ik toen. Ik belde je op een zaterdagochtend en ik snikte: “Neen, vandaag kom ik niet. Nooit meer “. Niemand wist waarom ik je opgaf. “Je was tenslotte mijn vader”. Maar hemelse opvliegers overmande mijn zijn. In mijn gehoorgang weergalmde nachtegalengezang: “Eindelijk, voor altijd kind zijn.”
Ondertussen acht jaar later: ik ben net het lokaal uitgedanst. Fier kwam ik mijn thuis binnen terwijl het liedje van Belle en het Beest door mijn koptelefoon raasde. Ik adem in: “Eindelijk, voor altijd kind zijn”.