verhalen

Het leven door de ogen van een grassprietje


Met veel liefde ben ik gezaaid. Wat zou ik dat graag kunnen zeggen.
De werkelijkheid is minder rooskleurig. Achteloos ben ik neergekwakt op de kale grond.
Het leek de zaaiers wel gezellig, zo’n groen kleedje in de tuin.
Aarzelend groeide ik op.
Veel werk hebben ze aan mij niet besteed, ik mag blij zijn dat het die zomer veel regende, anders was ik nooit opgekomen. Tijdens mijn groeifase lieten ze me nog met rust. Ze liepen met een boogje om me heen, zodat ik in ieder geval onbeschadigd groot kon worden. Daarna werd het anders.
Ik was nu groot en moest het maar zien te redden. Voor mij geen mestbehandeling om de zoveel tijd en een verticuteermachine ken ik alleen van horen zeggen. Mijn wortels groeien in slechte grond, die ofwel keihard is of zo nat dat ik er bijna van ga rotten. De zaaiers zijn toch blij met mij en mijn grote groene familie, al is het een eenzijdige verstandhouding. Wij geven, zij nemen.
Ze planten hun stoelen neer met die scherpe poten en steken brandende fakkels in de grond, waar gevaarlijke vonken afspringen die menig familielid al hebben verschroeid.
En toch groei ik nog steeds. Ik blijf hardnekkig groen. Steek mijn wortels zo diep mogelijk de grond in om zoveel mogelijk energie binnen te krijgen. Ik reik met mijn topje naar de zon, zo hoog mogelijk. Totdat ze me met de maaier weer kortwieken. Dan ben ik even treurig, maar weet dat het nodig is om verder te kunnen groeien. Na elke maaibeurt wordt mijn wil om te groeien sterker. 

De zaaiers zijn vertrokken. Het huis staat leeg. Ik mag nu groeien zoveel ik wil. Ik groei totdat ik zelf zaadjes krijg. Ik geniet van de warme zon die mijn zaadjes droogt en de wind die ze verspreidt.
Mijn zaadjes. Met liefde gezaaid.