verhalen

Het leven is als een gedachte (Deel II-15)


Jantien maakt de tafel klaar voor het middageten. De warme lentezon die door de hoge ramen naar binnen valt stemt haar vrolijk. Jentje komt binnen en zet de ijzeren pot, die ze in het stookhok heeft opgewarmd, midden op de tafel. Er zit een Spaanse hutspot in van gestoofde peulvruchten met gerookt spek en warmoeskruiden.
Hendrik en de beide knechten komen ook binnen en ze gaan aan tafel. De vrouwen vouwen hun handen en de mannen nemen hun pet tussen duim en wijsvinger. Als Hendrik vraagt: “Zullen we even stil zijn”, wordt er op de deur geklopt die ook gelijk opengaat.
In de deuropening staat een onbekende man. “Hier de familie Huijsman?” Hendrik knikt. “Ik ben Jans Veuger, schipper van Meppel en ben met een vracht onderweg naar de Bovenbruijer. Van een schipper uit Zwartsluis heb ik een boodschap meegekregen voor de vrouwe”, kijkt met een vragende blik naar Jantien en gaat verder: “Van de weduwe van Hendrik Jans Ziel, of de vrouwe naar Zwartsluis kan komen, het is niet goed met haar dochter”. Hendrik staat op en vraagt aan de schipper of er nog meer is gezegd. De schipper schudt met zijn hoofd en zegt dat hij weer verder moet.
Hendrik loopt terug naar zijn stoel, blijft staan en klemt zijn handen om de rugleuning. Jantien trekt bleek weg, haar blauwe ogen staan groot en strak, de stilte is wurgend. Hendrik kijkt haar aan: “Dan moeten wij zo maar gaan, ’t vonderpad moet wel aardig droog zijn, pak maar wat kleren in want ik denk dat je bij Marchien moet blijven.” Ze komt in beweging en zegt tegen Jentje en de knechten: “Gaan jullie maar eten”.
Als ze naar de mooie kamer loopt komt er een gevoel over haar alsof ze een ander is, een houten pop, een soort werktuig dat beweegt. Dat er een onzichtbaar iemand is die haar laat lopen, haar het kabinet laat openen, een valies laat pakken, er kleren in doet …
Dan komt ze langzaam weer tot zichzelf. Marchien die aldoor zo’n angstig voorgevoel had en zo ongerust was … Hendrik is klaar met omkleden en zegt tegen haar: “Ik denk dat, als we weten hoe het met Marchien is, ik doorrij naar Hasselt, ze moeten het daar ook weten”.
Nog even praat hij met Jentje en de knechten over het werk dat er gedaan moeten worden en dan gaan ze op weg naar Zwartsluis.